Zondagse lezing

Zaterdag 15 augustus 2020 - Tenhemelopneming van Maria

Apok. 11, 19a; 12, 1.3-6a. 10ab         Een vrouw bekleed met de zon
Lc. 1, 39-56                                        Mijn hart prijst hoog de Heer

Maria bezoekt Elisabet
39In die dagen reisde Maria met spoed naar het bergland, naar een stad in Judea.  40Zij ging het huis van Zacharias binnen en groette Elisabet.  41Zodra Elisabet de groet van Maria hoorde, sprong het kind op in haar schoot; Elisabet werd vervuld met de heilige Geest  42en riep met luide stem uit: 'Gij zijt gezegend onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van uw schoot.  43Waaraan heb ik het te danken, dat de moeder van mijn Heer naar mij toe komt?  44Zie, zodra de klank van uw groet mijn oor bereikte, sprong het kind van vreugde op in mijn schoot.  45Zalig zij die geloofd heeft, dat tot vervulling zal komen wat haar vanwege de Heer gezegd is.'  Magnificat
46En Maria sprak: 'Mijn hart prijst hoog de Heer,  47van vreugde juicht mijn geest om God mijn redder:  48daar Hij welwillend neerzag op de kleinheid zijner dienstmaagd. En zie, van heden af prijst elk geslacht mij zalig  49omdat aan mij zijn wonderwerken deed Die machtig is, en heilig is zijn Naam.  50Barmhartig is Hij van geslacht tot geslacht voor hen die Hem vrezen.  51Hij toont de kracht van zijn arm; slaat trotsen van hart uiteen.  52Heersers ontneemt Hij hun troon, maar Hij verheft de geringen.  53Die hongeren overlaadt Hij met gaven, en rijken zendt Hij heen met lege handen.  54Zijn dienaar Israël heeft Hij zich aangetrokken,  55gedachtig zijn barmhartigheid voor eeuwig jegens Abraham en zijn geslacht, gelijk Hij had gezegd tot onze vaderen.'  56Nadat Maria ongeveer drie maanden bij haar gebleven was, keerde zij naar huis terug. 

Zondag 16 augustus 2020 - Twintigste zondag door het jaar – A

Jes. 56, 1.6-7 De vreemdelingen breng Ik naar mijn heilige berg
Mt. 15, 21-28 Vrouw, ge hebt een groot geloof

Het geloof van de Kananeese
21Vandaar trok Jezus zich terug naar de streek van Tyrus en Sidon.  22Op een gegeven ogenblik trad een Kananeese vrouw afkomstig uit dat gebied naar voren, luid roepend: “Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David! Mijn dochter is van een duivel bezeten en wordt verschrikkelijk gekweld.”  23Maar Hij gaf haar in het geheel geen antwoord. Toen wendden zijn leerlingen zich tot Hem met het verzoek: “Stuur die vrouw toch weg, want ze blijft ons achterna roepen.”  24Hij antwoordde: “Ik ben alleen maar tot de verloren schapen van het huis van Israël gezonden.”  25Maar de vrouw kwam naderbij, wierp zich voor zijn voeten neer en zei: “Heer, help mij!”  26Hij gaf haar ten antwoord: “Het is niet goed het brood dat voor de kinderen bestemd is aan de honden te geven.”  27“Wel waar, Heer”, sprak zij, “want de honden eten immers toch ook de kruimels die van de tafel van hun meesters vallen.”  28Daarop zei Jezus haar: “Vrouw, ge hebt een groot geloof! Uw verlangen wordt ingewilligd.” En van dat ogenblik was haar dochter genezen.